Omschrijving
Het Oratorio di San Giorgio is een kleine bakstenen kapel aan de Piazza del Santo in Padua, naast de Basiliek van Sint-Antonius. Van buiten is ze sober; binnen is elke wand bedekt met de fresco's van Altichiero da Zevio, een van de grote veertiende-eeuwse cycli van Padua, sinds 2021 UNESCO-werelderfgoed.
De puntgevel van schoon metselwerk heeft een roosvenster en daaronder, in een lunet, een hoogreliëf van Sint-Joris die de draak doodt. Aan weerszijden twee wapens met de klimmende wolf van de Lupi di Soragna, de familie die de kapel liet bouwen.
Binnen één ruimte met een tongewelf, sterk lijkend op de Cappella degli Scrovegni. Het plafond is een sterrenhemel doorsneden met bloemenbanden. Op de linkerwand lopen de verhalen van Sint-Joris, op de rechter de levens van Sint-Catharina en Sint-Lucia.
Op de altaarwand overheerst een grote Kruisiging, onder een Kroning van Maria tussen koren van engelen; op de ingangswand scènes uit de kindertijd van Christus. Linksboven is markies Raimondino Lupi geschilderd in aanbidding voor de Madonna, met zijn ouders, broers en neven.
Altichiero wist de blik te sturen. In de scène waarin Sint-Lucia naar het bordeel wordt gesleept, leiden de lijnen het oog meteen naar de heilige, ook al staat ze opzij; daarna zie je de ossen die zich krommen van inspanning en de verbazing van de wachters, die haar niet van haar plek krijgen.
In De begrafenis van Sint-Lucia opent zich in de diepte het schip van een kerk, vol mensen die precies in de ruimte zijn geplaatst. Elke figuur heeft een eigen gebaar of uitdrukking: realisme en perspectief die al vooruitkijken naar de renaissance.
Raimondino Lupi, markies van Soragna, had zich in 1376 in Padua gevestigd en wilde de kapel als familiegraf. Hij stierf in 1379, vóór de fresco's: zijn neef Bonifacio liet ze in 1384 voltooien, nadat hij met Altichiero al de Cappella di San Giacomo in de basiliek had laten beschilderen.
Midden in de ruimte stond het marmeren grafmonument van de markies, gedragen door zuilen met twee wolven, zo hoog dat het bijna het plafond raakte. In 1797 haalden de Fransen het uit elkaar: nu rest alleen de sarcofaag tegen de rechterwand. Eind achttiende eeuw werd het oratorium zelfs als gevangenis gebruikt.
De puntgevel van schoon metselwerk heeft een roosvenster en daaronder, in een lunet, een hoogreliëf van Sint-Joris die de draak doodt. Aan weerszijden twee wapens met de klimmende wolf van de Lupi di Soragna, de familie die de kapel liet bouwen.
Binnen één ruimte met een tongewelf, sterk lijkend op de Cappella degli Scrovegni. Het plafond is een sterrenhemel doorsneden met bloemenbanden. Op de linkerwand lopen de verhalen van Sint-Joris, op de rechter de levens van Sint-Catharina en Sint-Lucia.
Op de altaarwand overheerst een grote Kruisiging, onder een Kroning van Maria tussen koren van engelen; op de ingangswand scènes uit de kindertijd van Christus. Linksboven is markies Raimondino Lupi geschilderd in aanbidding voor de Madonna, met zijn ouders, broers en neven.
Altichiero wist de blik te sturen. In de scène waarin Sint-Lucia naar het bordeel wordt gesleept, leiden de lijnen het oog meteen naar de heilige, ook al staat ze opzij; daarna zie je de ossen die zich krommen van inspanning en de verbazing van de wachters, die haar niet van haar plek krijgen.
In De begrafenis van Sint-Lucia opent zich in de diepte het schip van een kerk, vol mensen die precies in de ruimte zijn geplaatst. Elke figuur heeft een eigen gebaar of uitdrukking: realisme en perspectief die al vooruitkijken naar de renaissance.
Raimondino Lupi, markies van Soragna, had zich in 1376 in Padua gevestigd en wilde de kapel als familiegraf. Hij stierf in 1379, vóór de fresco's: zijn neef Bonifacio liet ze in 1384 voltooien, nadat hij met Altichiero al de Cappella di San Giacomo in de basiliek had laten beschilderen.
Midden in de ruimte stond het marmeren grafmonument van de markies, gedragen door zuilen met twee wolven, zo hoog dat het bijna het plafond raakte. In 1797 haalden de Fransen het uit elkaar: nu rest alleen de sarcofaag tegen de rechterwand. Eind achttiende eeuw werd het oratorium zelfs als gevangenis gebruikt.